11-03-2013

Onder de top van de Aconcagua

Afgelopen februari reisde Remon af naar Argentinië. De beklimming van de hoogste berg van Zuid-Amerika (6.962 meter) stond op het programma. En hoewel onze avonturier de top niet haalde, kwam hij terug met een pracht verhaal en heel veel ervaringen.

“Een paar dagen voor mijn vertrek werd ik gebeld door organisator Mountain Network. De Nederlandse gids heeft longontsteking, of ik even de coördinatie ter plaatse wilde doen! Het stelde niet veel voor, wat papieren uit Nederland meenemen en een satelliet-telefoon om met de organisatie in Nederland in contact te blijven. Overigens was een groot gedeelte van de in totaal zes klimmers al twee weken in Argentinië. Die hadden er de broodnodige hoogtestages, bleek achteraf, al op zitten.”

WK voetbal 1978

Remon vertrok op zaterdag 2 februari en arriveerde via Spanje op zondag 3 februari op het vliegveld van Mendoza, bekend van het WK voetbal 1978 toen Oranje daar in de voorronde speelde. “Na de kennismaking met de groep, bestaande uit een echtpaar en vier mannen, en de aankoop van een slaapmatje van schuim gingen naar bed. De volgende dag per bus naar Puenta del Inca. Een dorp gelegen op ruim 2700 meter hoogte aan de voet van het National Parc. Het was er dik dertig graden. De toestemming om de berg te beklimmen werd afgegeven en wij konden aan ons avontuur beginnen, want dat werd het”, lacht Remon nog steeds zuinigjes.

“De bepakking op de muilezels werd gewogen en we gingen dinsdagochtend op weg naar een niveau van 3.000 meter. Heerlijk weer, met korte mouwtjes liepen we in vijf uur tijd naar die hoogte. In de partytent werd de avondmaaltijd door ingehuurde koks. De volgende dag begon het echte werk. Naar Casa Piedra, 600 meter hoger gelegen in de Andes. Op donderdag weer zeven uur lopen en naar Plaza Argentina op al ruim 4 kilometer boven de zeespiegel. Vrijdag 8 februari genoten we van onze eerste rustdag. Hoewel, het werd nog spannend. In dit basiskamp vond een medische test plaats. Een dokter onderzocht je hartslag, longen, zuurstofgehalte in je bloed en ook de bloeddruk. Ik ben altijd gespannen met dat soort dingen en, net als voor mijn reis naar Denali, was mijn bloeddruk veel te hoog. De schrik sloeg om mijn lijf. Het zal toch niet waar zijn, dat hier mijn reis al zou eindigen?” Met de nodige pillen was de bloeddruk de volgende dag gezakt naar een normaal niveau en kon ik verder met de beklimming van de Aconcagua.”

Voedselpakketten

Zaterdag 9 februari stond de eerste acclimatiseringsklim op het programma. “De voedselpakketten voor de zes dagen tot aan de klim moesten worden klaargemaakt. Toch zes kilo en met drie liter water in je rugzak, had je plotseling meer mee te sjouwen. Mijn tentmaatje Erik, ik en het echtpaar Ans & Alex uitgezonderd, had de rest voor 1100 dollar poorters ingehuurd die de meeste balast voor je naar boven brachten. Een economisch rekensommetje voor velen. Want om de top te bereiken, besteed je op deze manier alle risico’s uit. Ik vind dat niet passen bij het beklimmen van een berg. Die poorters zijn wel de mensen die een prestatie leveren. Onvoorstelbaar, hoe snel zij spullen naar boven brengen. Sommigen beklimmen de top in één dag!. Van het basiskamp naar kamp 1 (4.950 meter hoogte) was voor ons al een behoorlijke klus. Gelukkig was de groep aan elkaar gewaagd. Het tempo was goed en waar nodig, werd je geholpen met het opzetten van een tent en het maken van eten.”

In kamp 2 een dikke 1.100 meter onder de top, kregen de klimmers een teleurstelling te verwerken. “Er werd op onze geplande Topdag zaterdag 16 februari erg slecht weer voorspeld, met ontzettend veel storm. En dat weer kon zo maar drie, vier dagen aanhouden. Wachten was dus geen optie, inlopen wel. Dat betekende geen rustdag, maar al op donderdag naar kamp 3. De omstandigheden waren ideaal en een echte keuze hadden we niet. Het werd boven wel kouder. Zelfs de inhoud van de plasbeker bevroor. Dicht tegen je lichaam lukte het nog wel. Dat plassen is wel een vervelende bijkomstigheid. Op deze hoogte ben je verplicht op een dag zes tot zeven liter water te drinken. Een hele opgave. Niets smaakt ook meer, je proeft ook niet wat je eet. Je eet en drinkt, omdat het moet. Meer niet.”

Zwabberbenen

Aan het eind van de zware klimdag en gearriveerd op 6.000 meter hoogte, was Remon gesloopt. “Ik voelde voor het eerst mijn benen. Alle energie was verdwenen. Alsof ik door een grens heen was gelopen. Ik hoopte met eten en goed rusten, de volgende ochtend klaar te zijn voor de vervroegde Topdag. Ik was niet in paniek, maar wel blij dat ik er was. De wekker rinkelde om vier uur in de ochtend en om vijf uur moesten we buiten staan om de bijna vijftien uur durende tocht, klim en daling, te beginnen. Maar ik had zwabberbenen. Ik besloot niet te gaan experimenteren en de groep tot last te zijn. Want als je halverwege moet afhaken, mag je niet alleen afdalen en zal er een gids met jou mee terug moeten.”

Remon nam een wijs besluit. “Het heeft geen nut om zwalkend aan de zware dag te beginnen. Fysiek op je tandvlees een marathon lopen is wat anders dan 962 meter klimmen en dalen. Lichamelijk moet je het risico niet willen nemen en dus ben ik niet gestart. De andere vijf wel, maar vraag niet hoe ze terug kwamen. Erik keerde op 6.500 meter hoogte om. Het werd hem te zwaar. Waarschijnlijk was de dag minder rust en dus ook geen gelegenheid om te wennen aan de hoogte voor ons funest. Die andere klimmers waren veertien dagen eerder op de plaats van bestemming. Met mijn satelliettelefoon hield ik het Mountain Network op de hoogte en heb ik ook Mari gebeld. “Ben je al op de top”, vroeg ze tegen beter weten in. Ze wist namelijk ook dat zaterdag de Topdag zou zijn en het was pas vrijdag. Het werd een emotioneel zwaar gesprek, want ik was achtergebleven en voelde mij alleen. Ik heb haar verteld dat ik mij niet sterk genoeg voelde en het laatste stukje niet aandurfde. Ik voelde mij te zwak, een rare gewaarwording.“

Remon verbleef die dag, een dikke 25 graden onder nul, voornamelijk in zijn tent en knapte op. “Ik wende aan de hoogte. Iets over negen uur ’s avonds kwamen de eersten terug. Ze hadden de top bereikt. Hugo, een oud-commando, nog niet. Bovenop de berg was zijn zuurstofgehalte heel laag. Normaliter beland je in zo’n situatie op de Intensive Care. Voor mij een bevestiging dat ik de juiste beslissing had genomen. Hoe vervelend ook, maar spijt had ik niet. Het begon harder te waaien en ik was blij dat iedereen “heel” terug was. De storm bereikte snelheden van 140 kilometer per uur en daar lagen wij in tentjes. Opgebouwd met dunne draadjes en vastgezet met stenen.”

Bevroren

De volgende dag zou de groep vroeg afdalen. “Maar het was niet te doen. Een ijzige koude wind maakte het onmogelijk om je stijgijzers onder je schoenen te doen. Na twee minuten waren je vingers bevroren. Overdag merkte je dat niet, maar ’s avonds begonnen mijn vingertoppen te tintelen. Nog steeds, nu veertien dagen later (1 maart) kan ik amper een toetsenbord aanraken. Zoiets duurt vier tot acht weken, de zenuwen zijn geraakt en hebben tijd nodig om te herstellen.”

De omstandigheden verslechterden met het uur. “We zaten met z’n allen in één tent. Twee andere tenten waaiden van de berg af, die waren we kwijt. Het was beangstigend en mijn gedachten gingen terug naar twee Polen, die van de Elbrus waaiden. Letterlijk hangt je leven aan een zijden draadje. De windvlagen kondigden zich met een hele zware brom aan, twintig seconden later was tie bij je en werd je omver geblazen. Vijf meter verderop werd ik tegen de grond gesmeten. Op dat moment heb je spijt dat je het avontuur bent aangegaan en besluit je voor jezelf om zoiets nooit meer te doen. Ik ben natuurlijk niet levensmoe. Maar eenmaal terug in het basiskamp, geniet je van de ervaringen. Toch wel mooi om zoiets meegemaakt te hebben, zeker als je het kunt navertellen.”

De expeditie zou oorspronkelijk eindigen in het weekend van 23 februari, maar door het slechte weer was Remon op dinsdag 19 februari weer terug in zijn vertrouwde Hoogblokland.

“Ik heb geen spijt van deze reis. De top is niet bereikt, maar dat is voor mij ook geen must. Wel heb ik mijn grenzen bereikt.  Bijna op de top heb ik voor mijzelf besloten “tot hier en niet verder”. Ik had het alleen anders aan moeten pakken. Een langere en dus betere voorbereiding, had de slagingskans vergroot. Over acht weken vertrek ik voor de volgende beklimming; de Carstens ( 4.884 mtr. ) in Papuea-Nieuw-Guinea. Een rotsbeklimming die de nodige klimtechniek vereist. Geen ijs of sneeuw, maar daar is de warmte en de mogelijke regenval de handicap. In een voor mij compleet nieuwe wereld, waar ik nog nooit ben geweest. We gaan het beleven.”

En wij gaan het allemaal weer lezen op deze site of horen op een lezing van Remon.